Vervolg: de transitievergoeding en voordeelsverrekening

Vervolg: de transitievergoeding en voordeelsverrekening

Op 5 april 2019  schreef ik over de transitievergoeding voor werknemers die vanwege letselschade langdurig arbeidsongeschikt zijn. De vraag die rees, was of de transitievergoeding, betaalt door de werkgever om het dienstverband met deze werknemer te beëindigen, als voordeel verrekend moet worden met de schadevergoeding die de werknemer voor zijn letsel ontvangt van de aansprakelijke partij. Rechtbank Den Haag ging in haar uitspraak van 16 april 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:3830) in op deze vraag.

Feiten en vordering
In casu ging het om een werknemer die op 6 januari 2011 is uitgegleden op het parkeerterrein van zijn werkgever (bij wie hij al sinds 1985 in dienst was). Hij heeft daarbij blijvend letsel opgelopen. Met ingang van 5 juni 2017 is de arbeidsovereenkomst met een vaststellingsovereenkomst beëindigd. De werknemer heeft daarbij een transitievergoeding van € 77.000,- ontvangen. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de werkgever stelt dat deze vergoeding in mindering moet worden gebracht op de te vergoeden schade. De werknemer is het daar niet mee eens en legt de zaak in deelgeschil aan de rechtbank voor.
De werknemer stelt dat het niet redelijk is om de transitievergoeding in mindering te brengen op de schadevergoeding. Met de transitievergoeding is namelijk sprake van een eenmalige uitkering met een immaterieel karakter die gerelateerd is aan de duur van het dienstverband en zou worden uitgekeerd ongeacht of inkomensschade door het ongeval werd geleden.

Oordeel rechtbank
Allereerst acht de rechtbank de aard van de aansprakelijkheid van belang. Als uitgangspunt geldt dat in geval van schuldaansprakelijkheid, zoals hier het geval, minder snel aanleiding bestaat voor verrekening van voordeel dan in het geval van risicoaansprakelijkheid.

De voorzienbaarheid van de beëindiging van het dienstverband als gevolg van het ongeval is het tweede gezichtspunt waarnaar de rechtbank kijkt. De rechtbank acht denkbaar dat tal van omstandigheden, zoals een reorganisatie, hebben bijgedragen aan de beëindiging van het dienstverband. Hieraan komt echter niet zoveel gewicht toe dat de transitievergoeding daarom niet in mindering van de schadevergoeding dient te komen.

De rechtbank gaat vervolgens uitvoerig in op de aard van de transitievergoeding. Daarbij betrekt de rechtbank de Wet werk en zekerheid en de parlementaire geschiedenis van de transitievergoeding. De rechtbank acht de transitievergoeding in zoverre vergelijkbaar met de aard van de schadevergoeding wegens verlies aan arbeidsvermogen dat ook de transitievergoeding schade dekt bestaande uit verlies aan inkomen na ontslag. De aard van de transitievergoeding pleit volgens de rechtbank voor de conclusie de transitievergoeding te betrekken in de schadeafwikkeling.

De Wet compensatie transitievergoeding, waar ik in mijn blog van 5 april 2019 eerder over schreef, brengt niet mee dat de transitievergoeding niet in de schadeafwikkeling dient te worden betrokken. Met de compensatieregeling die slapende dienstverbanden beoogd te beëindigen, is getracht werkgevers tegemoet te komen. Met die prikkel is moeilijk verenigbaar de transitievergoeding buiten de schadeafwikkeling te laten.

Het voorgaande afgewogen, leidt volgens de rechtbank hier tot de conclusie dat de transitievergoeding in mindering dient te worden gebracht op de geleden schade.

Tot slot
De vraag of de transitievergoeding als voordeel kan worden verrekend met de schadevergoeding werd in deze zaak beoordeelt in het licht van de aard van de aansprakelijkheid, de voorzienbaarheid en de aard van de transitievergoeding. Zo komt de rechtbank Den Haag, onder de specifieke omstandigheden van de casus en met uitgebreide motivering, tot het oordeel dat de transitievergoeding in mindering gebracht dient te worden op de schade.

Voor mijn eerdere blog, zie https://www.avl-advocatuur.nl/blog.asp?dc=8092